Slapende dienstverbanden wakker geschud?

VDB Advocaten 3 april 2019 4 min. leestijd

In februari 2019 is de Regeling compensatie transitievergoeding bij een einde van de arbeidsovereenkomst na langdurig arbeidsongeschiktheid aangenomen. Hierin is - kort gezegd - bepaald dat de transitievergoeding die is uitbetaald aan een arbeidsongeschikte werknemers door UWV zal worden terugbetaald. Ondanks het in het leven roepen van deze regeling blijft er toch grote twijfel bestaan of arbeidsovereenkomsten ‘slapend’ kunnen worden gehouden, zodat betaling van de transitievergoeding achterwege blijft. Alhoewel hiertoe geen wettelijke verplichting bestaat, rijst de vraag of dit als (ernstig) verwijtbaar kan worden beschouwd. Recentelijk hebben meerdere rechters zich over deze vraag gebogen. Het onderwerp ‘slapende dienstverbanden’ is klaar wakker.

1. Regeling compensatie transitievergoeding

In de compensatieregeling is bepaald onder welke voorwaarden de transitievergoedingen die door werkgevers aan langdurig arbeidsongeschikte werknemers (lees: twee jaar of langer) zijn uitbetaald aan het UWV kunnen worden teruggevraagd. Het gaat om aanvragen bij UWV voor compensatie van transitievergoedingen die op of na 1 april 2020 worden verstrekt (hierna: ‘nieuwe gevallen’), maar ook op vergoedingen die daarvoor (tussen 1 juli 2015 en 1 april 2020) zijn verstrekt (hierna: oude gevallen). Voor de oude gevallen is bepaald dat werkgevers uiterlijk op 30 september 2020 de aanvraag moeten hebben ingediend. Voor de nieuwe gevallen is bepaald dat de aanvraag uiterlijk zes maanden na betaling van de volledige (transitie)vergoeding moet zijn ingediend.

Nadat een werkgever een verzoek tot compensatie heeft ingediend, zal UWV hierover een beslissing nemen. Voor nieuwe gevallen geldt dat UWV binnen een termijn van acht weken moet beslissen of, als dat niet haalbaar is, een nieuwe termijn moet bepalen. Voor oude gevallen geldt dat UWV binnen zes maanden na ontvangst op de aanvraag moet beslissen. Over binnen welke termijn tot daadwerkelijke betaling UWV dient over te gaan, wordt in de regeling niets vermeld. Het lijkt aannemelijk dat wordt aangesloten bij de wettelijke termijn van zes weken, dan wel een door het UWV in de beschikking genoemde termijn.

 

Ter voorkoming van misbruik, is bepaald dat het UWV geen hogere transitievergoeding betaalt dan waarop de werknemer aan het einde van de twee jaar arbeidsongeschiktheid en dus bij het einde van de loondoorbetalingsplicht van de werkgever recht heeft. Als het dienstverband na dat moment wordt gecontinueerd en pas na verloop van tijd wordt opgezegd of met wederzijds goedvinden beëindigd, wordt de hogere transitievergoeding als gevolg van de langere duur van het dienstverband niet door het UWV gecompenseerd. De omvang van de compensatie door het UWV bedraagt niet meer dan het bedrag van het tijdens ziekte van de werknemer betaalde bruto loon.

2. Slapend dienstverband

Het is de bedoeling van de wetgever dat slapende dienstverbanden worden tegengegaan. De minister heeft bevestigd dat het in zijn ogen ‘niet van fatsoenlijk werkgeverschap getuigt’ om een werknemer onbetaald in dienst te houden met als reden het niet willen betalen van de transitievergoeding. Of dit juist is, is maar de vraag. Er kleven immers ook voordelen aan het in stand houden van het dienstverband. Zo behoudt de werknemer re-integratiemogelijkheden bij de eigen werkgever en heeft een werkgever die eigen risicodrager is hier ook belang bij. Daarnaast geldt dat de compensatie die het UWV betaalt uiteindelijk gefinancierd wordt door werkgeverspremies (via het Algemeen Werkloosheidsfonds). Die gaan omhoog wanneer meer vergoedingen moeten worden gecompenseerd en slapende dienstverbanden aldus worden beëindigd. Per saldo betekent dit dat werkgevers de vergoedingen nog steeds zelf betalen.

Hoe met slapende dienstverbanden moet worden omgegaan leidt tot vraagtekens. Dat blijkt ook uit (zeer recente) uitspraken waaruit verdeeldheid onder rechters blijkt:

  • Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:3036) oordeelde in 2016 dat het ‘onfatsoenlijk’ is om een dienstverband slapend te houden, maar het betekent niet dat het daarmee niet ongeoorloofd is.

  • Rechtbank Overijsel (21 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1021) oordeelde dat het tot de beleidsvrijheid van een werkgever behoort om een arbeidsovereenkomst met een werknemer die meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is door opzegging te beëindigen. Er bestaat daartoe geen wettelijke verplichting en de invoering van de Wet compensatie transitievergoeding maakt dat niet anders. Die wet legt evenmin een verplichting op de werkgever om een slapend dienstverband te beëindigen. Bovendien is er veel onzekerheid over de uitvoering van de compensatieregeling. Met oog hierop kan (nog) niet van werkgevers worden gevergd transitievergoedingen voor te financieren. De rechtbank is van mening dat een werkgever vooralsnog niet ernstig verwijtbaar handelt. Dit wordt mogelijk anders na 1 april 2020.

  • Voorzieningsrechter Den Haag (28 maart 2019, C/09/569762 / KG ZA 19/238) oordeelde anderszins, namelijk dat het doel van Wet compensatie transitievergoeding duidelijk is waardoor werkgevers op grond van goed werkgeverschap onder omstandigheden wel verplicht zijn om over te gaan tot beëindiging van de slapende arbeidsovereenkomst. Het enkele financiële belang van werkgever om een arbeidsovereenkomst te laten voortduren ter voorkoming van betaling van de transitievergoeding, is niet relevant. De stelling dat werkgevers de transitievergoeding zelf bekostigen, omdat de compensatie wordt gecompenseerd vanuit het Algemeen werkloosheidsfond, is een afweging van de wetgever geweest en weegt daardoor niet mee. Het niet beëindigen van de arbeidsovereenkomst is in strijd met goed werkgeverschap.

Conclusie

De verdeeldheid onder rechters bevestigt de onduidelijkheid en daarmee onzekerheid voor werkgevers of een dienstverband op dit moment wel of niet slapend kan worden gehouden.

Doordat het de bedoeling van de wetgever is om een einde te maken aan de slapende dienstverbanden en uit genoemde uitspraken in ieder geval blijkt dat het slapend houden van een dienstverband na 1 april 2020 wel tot (ernstige) verwijtbaarheid kan leiden, maakt dat er een zekere kentering plaatsvindt/gaat plaatsvinden en de risico’s voor werkgevers daarmee groter. Wij schatten in dat slapende dienstverbanden (op termijn) zullen verdwijnen.

Terug