Quickfixes ter verbetering van de internationale btw-heffing

Belastingadvies 24 oktober 2018 3 min. leestijd

De raad van de Europese Unie heeft onlangs overeenstemming bereikt over de invoering per 1 januari 2020 van een aantal ‘quick fixes’ om de btw-heffing bij leveringen tussen ondernemers in verschillende lidstaten te verbeteren. Deze quick fixes moeten een tijdelijke oplossing bieden in afwachting van een rigoureuze verandering van het Europese btw-stelsel. 

 

Btw-nummer als vereiste voor toepassing nultarief
Voor toepassing van het btw-nultarief bij goederenleveringen aan ondernemers in andere lidstaten (intracommunautaire leveringen) moet worden aangetoond dat de afnemer btw-ondernemer is en dat de goederen worden vervoerd naar een andere EU-lidstaat.

► Vanaf 2020 kan het nultarief voor intracommunautaire leveringen uitsluitend worden toegepast indien een geldig btw-nummer van de afnemer wordt vermeld op de Opgaaf ICP (intracommunautaire prestaties). (Op dit moment kan het nultarief ook worden toegepast indien op een andere wijze kan worden aangetoond dat sprake is van btw-ondernemerschap bij de afnemer. Vanaf 2020 kan dit niet meer).

► WVDB heeft een tool ontwikkelt waarmee u eenvoudig en binnen enkele seconden de btw-nummers van al uw afnemers op geldigheid kunt checken. Indien u hier meer informatie over wenst, neem dan contact op met Stefan Leenhouwers. 

 

Bewijsvoering nultarief intracommunautaire leveringen
Het is aan u als ondernemer om te onderbouwen dat het nultarief voor intracommunautaire leveringen van toepassing is. Er is echter geen duidelijke richtlijn wanneer er voldoende bewijsstukken aanwezig zijn voor deze onderbouwing. Dit levert in de praktijk vaak discussie op.

► Vanaf 2020 kunnen ondernemers met twee onafhankelijk van elkaar opgestelde bewijsstukken het nultarief onderbouwen (bijvoorbeeld een getekende CMR en een verzekeringspolis van de transportverzekering).

 

Ketentransacties (ABC-transacties)
Bij een grensoverschrijdende ketentransactie zijn ten minste drie ondernemers (A, B en C) betrokken uit twee of meerdere lidstaten en worden de goederen direct van de eerste schakel (A) naar de laatste schakel (C) verzonden. Voor de btw zien wij een levering van A naar B en een levering van B naar C.  Aangezien maar één (grensoverschrijdende) goederenbeweging plaatsvindt, kan slechts één van beide leveringen de intracommunautaire levering zijn waarop het nultarief kan worden toegepast. Onder de huidige regelgeving  dient te worden bepaald aan welke levering het goederenvervoer is toe te rekenen om te bepalen welke van beide leveringen (A-B of B-C) de intracommunautaire levering is, hetgeen in de praktijk tot veel onduidelijkheid leidt.

► Vanaf 2020 wordt de vervoersbeweging als uitgangspunt toegerekend aan de levering B naar C, zodat dit de intracommunautaire levering is, tenzij B aan de leverancier A een btw-nummer verstrekt dat actief is in een andere lidstaat dan de plaats van vertrek van de goederen. Dan is de levering van A naar B de intracommunautaire levering.

 

Call-off voorraden
Bij call-off voorraden worden goederen overgebracht naar een opslagplaats van een toekomstige buitenlandse afnemer zonder dat de goederen bij deze overbrenging door de leverancier worden geleverd aan de afnemer. Pas zodra de afnemer het goed kan doorverkopen, vindt de eigendomsoverdracht (de levering) plaats.

Voor de btw heeft zo’n call-off transactie tot gevolg dat de leverancier een overbrenging van eigen goederen verricht naar het land van aankomst. Dit betekent dat de leverancier een fictieve intracommunautaire levering moet aangeven in het land van verzending en zich verplicht moet registreren in het land van aankomst om daar een verwerving aan te geven.

► Vanaf 2020 hoeft geen btw-registratie in de lidstaat van aankomst meer plaats te vinden voor de overbrenging van de eigen goederen naar het land van aankomst indien de betreffende goederen binnen maximaal één jaar worden verkocht aan de afnemer.

 

Overig

Naast de quick fixes heeft de Europese Raad ook politieke overeenstemming bereikt over de toepassing van het verlaagde tarief voor e-publicaties (was 21% wordt 9% in Nederland).

Terug