PAS op! Herinvesteringstermijn kan verstikkend werken

Belastingadvies 23 september 2019 3 min. leestijd

Indien u als ondernemer bij de verkoop van een bedrijfsmiddel een boekwinst behaalt, is het onder voorwaarden mogelijk de belastingheffing over deze boekwinst uit te stellen. Dit kan doormiddel van het vormen van een zogenoemde herinvesteringsreserve (HIR). Bij aanschaf van een nieuw, vervangend bedrijfsmiddel kunt u vervolgens deze HIR afboeken op de boekwaarde van dat vervangende bedrijfsmiddel.

 

Voorbeeld

Stel u verkoopt een beleggingspand met een boekwaarde van € 100.000,-- voor € 350.000,--. U maakt dan een boekwinst van € 250.000,--. Voor deze boekwinst kan onder voorwaarden een HIR worden gevormd. Indien u vervolgens een nieuw beleggingspand koopt voor bijvoorbeeld

€ 400.000,-- dan kunt u de hiervoor gevormde HIR van € 250.000,-- daarop afboeken, waardoor de nieuwe boekwaarde van het nieuwe pand € 150.000,-- bedraagt.

 

Voorwaarden

Aan het toepassen van de HIR zijn enkele voorwaarden verbonden. Zo moet sprake zijn van een bedrijfsmiddel. Het is dus bijvoorbeeld niet mogelijk om over de winst van verkochte voorraad een HIR te vormen. Daarnaast moet worden voldaan aan de zogenoemde boekwaarde-eis, hetgeen zoveel inhoudt dat de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel niet lager mag zijn dan de boekwaarde van het vervreemde bedrijfsmiddel. Voor bedrijfsmiddelen waarop niet of gedurende een lange periode wordt afgeschreven, zoals grond of gebouwen, geldt voorts de eis dat het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd dezelfde economische functie moet hebben als het bedrijfsmiddel waardoor de HIR is ontstaan. Dit voornemen moet in het jaar van vervreemding op balansdatum aanwezig zijn en in de jaren daarna continu. Daarnaast geldt nog de zogenoemde herinvesteringstermijn. Hierop gaan we hierna nader in.

 

Herinvesteringstermijn

De herinvesteringstermijn houdt in dat binnen drie jaar volgend op het jaar waarin tot vorming van de HIR is overgegaan een herinvestering dient plaats te vinden. Indien bijvoorbeeld op
1 september 2019 een bedrijfsmiddel is verkocht, dan dient uiterlijk op 31 december 2022 een nieuw bedrijfsmiddel te worden aangekocht.

 

Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan deze termijn op grond van de wet worden verlengd. Dergelijke bijzondere omstandigheden worden in principe niet snel aanwezig geacht. Zo moet sprake zijn van vertragende omstandigheden die buiten de invloed van de ondernemer liggen, bijvoorbeeld op het gebied van vergunningen en bestemmingsplannen. Dit roept de vraag op of recente maatregelen waarmee de bouwsector wordt geconfronteerd en waarmee de nodige bouwprojecten vertraging oplopen, kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de recente uitspraak van
29 mei jl. waar de Raad van State oordeelde dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in strijd is met de Richtlijnen van de Europese Unie. Op grond van het PAS werd toestemming verleend voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Sinds 29 mei jl. is dat niet meer mogelijk en kan alleen nog een vergunning voor een project worden gegeven wanneer uit ecologisch onderzoek blijkt dat de stikstofuitstoot door een project niet stijgt of zelfs daalt. Kortom, alle projecten die stikstof uitstoten, moeten sinds die uitspraak aantonen dat ze geen significant negatief effect hebben op een aantal natuurgebieden in Nederland. Voorgaande ‘stikstof-uitspraak’ heeft verstrekkende gevolgen voor de bouwsector. De verwachting is dat veel bouwprojecten hier vertraging door oplopen. Geraakt worden alle projecten die in de buurt liggen van Natura 2000-gebieden (zoals de Bossche Broek en het Leenderbos) en waar nog geen onherroepelijke vergunning voor is afgegeven. Naar onze mening is het verdedigbaar om te stellen dat voorgaande een ‘bijzondere omstandigheid’ voor termijnverlening van de HIR is voor bedrijven die hierdoor worden geraakt.

 

Terug