Huurovereenkomst of slechts een intentieverklaring?

VDB Advocaten 7 maart 2019 2 min. leestijd

Een idyllisch landgoed gelegen te Sint-Michielsgestel, was onderwerp in een huurrechtelijk geschil tussen de eigenaar, Stichting Het Noordbrabants Landschap (NBL), en de erfpachter van het landgoed. Onlangs heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan in deze kwestie.

 

De feiten

Het Landgoed Haanwijk is in 1984 door de toenmalige eigenaar verkocht aan NBL. NBL heeft het gekochte landgoed vervolgens in erfpacht uitgegeven aan de voormalige eigenaar. De jaren daarna is de erfpacht overgegaan op de nakomelingen van de voormalige eigenaar.

 

In 2003 heeft een nakomeling (hierna: “Appellant”) van de voormalige eigenaar de erfpacht van het landgoed overgenomen. Na verloop van tijd was Appellant niet meer in staat om de canon (de huur die erfpachter dient te betalen voor het gebruik van iemand anders zijn grond) te kunnen betalen en heeft hij achterstanden bij financiële instellingen. NBL en Appellant zijn overeengekomen dat NBL de schulden betaalt en dat het recht van erfpacht eindigt. Daaropvolgend doet NBL de toezegging aan Appellant om het landgoed te renoveren en na de renovatie te verhuren aan Appellant. Er wordt hierbij een huurprijs van circa € 1.350,-- per maand afgesproken. Een huurcontract wordt echter niet getekend.

 

Enige tijd later deelt NBL aan Appellant mede dat het landgoed niet meer aan hem zal worden verhuurd, omdat Appellant geen goedgekeurd ondernemingsplan heeft overgelegd en geen bankgarantie heeft gesteld voor de investeringen. Na deze mededeling sluit NBL een huurovereenkomst met een derde af voor een hoger huurbedrag per maand. Appellant is het daar niet mee eens en stelt dat er een huurovereenkomst tot stand is gekomen op basis van de overeengekomen essentialia (object en huurprijs).

 

Beslissing

Het gerechtshof stelt dat er onvoldoende is gebleken dat op andere essentialia van een huurovereenkomst overeenstemming heeft bestaan. Er is slechts een bereidheid uitgesproken om te zijner tijd tot verhuur aan de Appellant over te gaan, mocht uitgifte in erfpacht niet mogelijk zijn. Dat een richtprijs is genoemd, maakt nog niet dat over de andere essentialia van de huurovereenkomst ook al overeenstemming was. Zo zijn er nog geen afspraken over de ingangsdatum, de bestemming van het gehuurde, de duur van de huurovereenkomst en zijn er nog geen afspraken over de onderhoudskosten van het landgoed gemaakt.

 

Met andere woorden: er was hier slechts sprake van een intentieverklaring en geen huurovereenkomst.

 

Terug